Het oude kerkhof is verlaten en stil in de schemerige avond. Het is een koude dag in januari, als een eenzame ziel zich schoorvoetend beweegt tussen de scheve en slecht onderhouden graven. Aan het einde van het pad knielt de kleine en kromme gestalte in het grind, bij iets dat lijkt op een graf. Ze vouwt haar vingers ineen en staart verbitterd naar het onkruid tussen de vier, haast vergane bielzen. "Het spijt me, jongen," fluisteren haar droge lippen. "Ik heb geen centen voor een houten kruis." Vergeefs en tegen beter weten in, wacht ze op het antwoord van Jens dat niet zal komen. Haar kraaienogen bewegen zich heen en weer en staan stil bij de witte stenen van de Canadese vliegeniers. "Per ardua ad astra," leest ze en weet wat het betekent. "Vol strijd naar de sterren." Vreemd, dat haar jongen hier in de aarde ligt en toch voorgoed is gegaan. Ooit had ze de gedachte gehad hem uit te graven en mee te nemen naar haar kleine huis, ver buiten het dorp, maar ze had het niet gedurfd. Een schaduw viel over haar heen, verschrikt keek ze om en zag ze het grijnzende gelaat van de koster. Een nare man, was hij, die haar griezelverhalen vertelde, terwijl hij kuilen aan het graven was en een boterham met pindakaas kauwde. "Mevrouwtje, mevrouwtje, 33 graden was het, toen ik in de gaten kreeg dat ik hem niet diep genoeg had begraven. Maar ja, toen was het te laat, ja toch, mevrouwtje?" Steeds weer liet zij hem maar praten, niet bij machte hem een weerwoord te geven. Maar denken kon ze wel en niemand wist wat zij dacht. Moeizaam stond het vrouwtje op, haar ogen schitterden als diamanten, als sterren in de heldere nacht en geschrokken stapte de pastoorsknecht achteruit. Haar smalle lippen bewogen en moeizaam sprak ze haar woorden. "Als jij dacht dat je denkt te weten wat ik denk, denk ik, dat jij denkt dat iedereen denkt met dezelfde gedachte." Verbijsterd keek de koster naar het vuur in haar kraaienogen en de angst sloeg om zijn hart. Jaren vol van ellende had hij op dit kerkhof ervaren, maar nog nooit was hij zo bang geweest. " Wwwat ddenkt u ddan, mevrouw?" Zijn stem klonk schor en nogmaals deed hij een paar passen naar achteren. Nu was het vuur vol van haat, dat in haar ogen brandde. De drie woorden, die zij sprak klonken als het knallen van een zweep en het waren haar laatste woorden ooit. "Als ik God was.."
"Als ik God was, dan wist ik het wel."
Woorden van frustratie, haat, angst en onmacht.
Maar ook woorden van hoop en geloof in Hem, dat Hij snel mag komen om ons te redden van de ondergang op een bedorven moeder aarde en de deur zal openen naar zijn Koninkrijk.
Frank
Geen opmerkingen:
Een reactie posten