Translate

vrijdag 18 april 2014

                                      Een generatie sterft uit

Langzaam drongen zijn woorden tot mij door, van heel ver kwamen ze, van de zeventiger jaren?  Nederland-Argentinie, of was het toch weer Duitsland? Een autoloze zondag, of was het Ruud Lubbers? Nee, ik weet het weer, het was op de steiger, twaalf meter hoog, over één plank kruide ik, omdat er niet meer waren..

“Het besef is er, meneer, maar ik accepteer het nog niet, ik wil er nog niet aan. De momenten die ik beleef worden steeds sterker, de herinneringen aan tijden die nooit meer terug zullen komen. De generatie van jongens en meisjes, uit de jaren vijftig en zestig,
het zijn de ‘laatste der Mohikanen,’ meneer, de strijders voor het volk en vaderland met opgestroopte mouwen, mannen met baarden, dolle Mina’s, strijdend voor gelijke rechten.
Ik ben er ook een van, nee, geen Mohikaan of Mina, ha ha, een timmerman ben ik, meneertje.”


Verbaasd keek ik op van mijn tijdschrift en keek naar de man aan de overkant in de wachtkamer. Het was alweer een tijdje geleden dat ik een bezoekje had gebracht aan de huisarts en het drong tot mij door dat daar altijd wel iemand was met behoefte aan een praatje. Er parelden zweetdruppels op het dikke rode hoofd van mijn generatiegenoot, dat kaal was van boven en grijzend aan de slapen. Zijn ronde buik stak door het veel te strakke pak naar buiten en het geheel oogde nogal ongezond. Het was de manier waarop hij naar me keek waarom ik zijn blik niet los kon laten. Het vuur straalde uit zijn ogen, het was een schreeuw om aandacht, of hulp misschien?  

“Heeft u ook kinderen?’
Mijn vraag was er uit en alleen onze lieve Heer zal weten waarom ik het vroeg.
Het was de spijker op die timmerman zijn kop, een klap uit 1968, Joe Frazier, denk ik.
De beste man schoot overeind, zijn ogen twinkelden en ik kon mij zelf wel voor de kop slaan.
Maar hoe dan ook, de vraag had wel geneeskrachtig gewerkt en even leek het alsof ik weer terug was in mijn goede oude ziekenhuis het Heil der Kranken.
“Vier meneer, met van die rottige telefoontjes, allemaal meiden, luie pubers met puisterige wangetjes en korte lontjes, u weet waar ik over praat, toch, overbuurman?”


Na een hele diepe ademhaling en een kuch opende ik mijn mond om de man zijn erkenning te geven. Op dat moment hoorde ik de klik van een deur en verscheen dokter Bernhard op het toneel. Yes! Hij was een heel grote man met de perfecte glimlach en gitzwarte haren..
“Meneer van Stavast!”
Het was alsof mijn overbuurman de zoveelste schop onder zijn kont kreeg, de reactie van een bouwvakker op zijn baas en ik moest een glimlach onderdrukken.

Zijn woorden galmden nog na in mijn bovenkamer. Ergens had de goede man wel gelijk, maar de hele kudde over één kam scheren ging te ver. Per slot van rekening leven we nu eenmaal in de grofmazige cultuur. Zijn woorden bewezen weer eens te meer dat ieder huisje zijn kruisje draagt.
“The times they are changing’ geldt ook voor onze jongeren, toch overbuurman?”


Frank Oude Hassink 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten