Een
generatie sterft uit
Langzaam
drongen zijn woorden tot mij door, van heel ver kwamen ze, van de zeventiger
jaren? Nederland-Argentinie, of was het
toch weer Duitsland? Een autoloze zondag, of was het Ruud Lubbers? Nee, ik weet
het weer, het was op de steiger, twaalf meter hoog, over één plank kruide ik,
omdat er niet meer waren..
“Het besef is er, meneer,
maar ik accepteer het nog niet, ik wil er nog niet aan. De momenten die ik
beleef worden steeds sterker, de herinneringen aan tijden die nooit meer terug
zullen komen. De generatie van jongens en meisjes, uit de jaren vijftig en
zestig,
het zijn de ‘laatste der Mohikanen,’
meneer, de strijders voor het volk en vaderland met opgestroopte mouwen, mannen
met baarden, dolle Mina’s, strijdend voor gelijke rechten.
Ik ben er ook een van,
nee, geen Mohikaan of Mina, ha ha, een timmerman ben ik, meneertje.”
Verbaasd keek ik op van
mijn tijdschrift en keek naar de man aan de overkant in de wachtkamer. Het was
alweer een tijdje geleden dat ik een bezoekje had gebracht aan de huisarts en
het drong tot mij door dat daar altijd wel iemand was met behoefte aan een
praatje. Er parelden zweetdruppels op het dikke rode hoofd van mijn generatiegenoot,
dat kaal was van boven en grijzend aan de slapen. Zijn ronde buik stak door het
veel te strakke pak naar buiten en het geheel oogde nogal ongezond. Het was de
manier waarop hij naar me keek waarom ik zijn blik niet los kon laten. Het vuur
straalde uit zijn ogen, het was een schreeuw om aandacht, of hulp misschien?
“Heeft u ook kinderen?’
Mijn vraag was er uit en
alleen onze lieve Heer zal weten waarom ik het vroeg.
Het was de spijker op die
timmerman zijn kop, een klap uit 1968, Joe Frazier, denk ik.
De beste man schoot
overeind, zijn ogen twinkelden en ik kon mij zelf wel voor de kop slaan.
Maar hoe dan ook, de vraag
had wel geneeskrachtig gewerkt en even leek het alsof ik weer terug was in mijn
goede oude ziekenhuis het Heil der Kranken.
“Vier meneer, met van die
rottige telefoontjes, allemaal meiden, luie pubers met puisterige wangetjes en
korte lontjes, u weet waar ik over praat, toch, overbuurman?”
Na een hele diepe
ademhaling en een kuch opende ik mijn mond om de man zijn erkenning te geven.
Op dat moment hoorde ik de klik van een deur en verscheen dokter Bernhard op
het toneel. Yes! Hij was een heel grote man met de perfecte glimlach en gitzwarte
haren..
“Meneer van Stavast!”
Het was alsof mijn
overbuurman de zoveelste schop onder zijn kont kreeg, de reactie van een
bouwvakker op zijn baas en ik moest een glimlach onderdrukken.
Zijn woorden galmden nog
na in mijn bovenkamer. Ergens had de goede man wel gelijk, maar de hele kudde
over één kam scheren ging te ver. Per slot van rekening leven we nu eenmaal in
de grofmazige cultuur. Zijn woorden bewezen weer eens te meer dat ieder huisje
zijn kruisje draagt.
“The times they are
changing’ geldt ook voor onze jongeren, toch overbuurman?”
Frank Oude Hassink


Geen opmerkingen:
Een reactie posten