Het was in het jaar 1992 toen ik werkte in Frankrijk aan een project voor jongeren. Jongeren met gedragsproblemen, waarvan de meeste een strafblad hadden.
De dag was prachtig, toen ik vroeg in de ochtend de rits van mijn tent open trok om de nieuwe dag te groeten. Over de weilanden keek ik uit naar het kleine dorp, dat in oorlogstijd werd gebruikt door het Franse verzet en waar nu de jonge mensen sliepen om aan een nieuwe toekomst te bouwen. Het vuur naast de tent gloeide nog en was een aangename verwelkoming op een frisse en vochtige ochtend in mei.
Even later wandelde ik over de smalle landweg naar het dichtstbijzijnde dorp, waar ik bij de bakkersvrouw aan ging voor een grote kop koffie en brood. Nooit in mijn leven had ik mij zo goed gevoeld.
Op de weg terug kreeg ik gezelschap. Achter mij aan trippelde een kleine hond, dolblij en oerlelijk. In het dorp aangekomen werd het beest al snel opgepikt door een groepje meisjes en meegenomen naar hun rovershol. De rest van de dag was ik het dier vergeten, tot ik bij de kleine rivier de geluiden hoorde van gillende en schreeuwende jongeren. Toen ik daar ter plekke was, zag ik wat de oorzaak was van de consternatie. Het straathondje draaide, vastgeknoopt aan het waterrad, snelle rondjes boven en kopje onder in de kleine rivier. Het was de snelste methode voor een efficiƫnte wasbeurt.Toen we het beest uit zijn benarde positie bevrijd hadden, toonde het nog een keer zijn onbegrensd goedaardig karakter, door een poging te doen zijn staartje te laten kwispelen. Toen sloot hij voor altijd zijn bruine ogen.
De ter aarde bestelling was sober en verdrietig. Het hondje kreeg een eervolle plek bij de wildkampeerders, toepasselijk en thuis." Heden ik, Morgen gij," was de geverfde tekst die op het houten plankje prijkte, dat boven hem was gespijkerd. De goden in Frankrijk waren verwant met een straathond, een aandoenlijk moment in een oneindig heelal.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten